Archief voor de ‘Bijbelsdagboek’ Category

Uw Maker is Uw man

woensdag, september 2nd, 2009

Lezen: Jesaja 54:4-10

Opnieuw lezen we vandaag woorden uit het boek Jesaja die bedoeld zijn om het volk Israël te bemoedigen.
Het behoeft niet bang te zijn dat God het in de steek laat.
Zo is God niet! Het lijkt er misschien wel eens even op, maar Gods trouw wordt altijd weer zichtbaar.

UW MAKER IS UW MAN

Echtscheiding – iets ergers is haast niet denkbaar.
Een man en een vrouw hebben jaren lang samengeleefd, samen gewerkt, samen gelachen, samen gehuild, misschien samen kinderen gekregen – en dan, een echtscheiding.
Er is geen liefde meer, geen gesprek meer mogelijk.
Er schijnt maar een oplossing: uit elkaar gaan.
Zo iets kwam in Israël ook voor.
Niet altijd liep een slechte relatie uit op een echtscheiding. Vooral wanneer een man meer dan een vrouw had, was dat niet zo nodig.
Zo’n man keek dan gewoon niet meer om naar zijn vrouw, hij versmaadde haar – hij liet haar links liggen, zouden wij zeggen.
Zo heeft God met Israël gedaan. Ja maar, dat is toch geen stijl?
Dat doe je toch niet? Nee, dat doe je niet.
Maar als je vrouw je altijd maar weer dwars zit, je plaagt,
niet luisteren wil als je vriendelijk iets vraagt,
niet dankbaar is voor alle goede zorgen die je aan haar besteedt – wat doe je dan?
Dat houdt toch geen mens vol! Dat houdt zelfs God niet vol… Daarom heeft Hij Zijn bruid, Zijn volk verlaten.
Verlaten.
Voor altijd?
Nee, dat denkt Israël wel, maar zo is het niet!
Een kort ogenblik heb Ik u verlaten, maar met groot erbarmen zal Ik u tot Mij nemen!
God blijft niet wrokken, Zijn leven lang.
Hij vergeeft en Hij vergeet. Hij maakt een nieuw begin.
Zou Hij, die de Schepper is, Zijn volk loslaten?
Uw Maker is uw Man! Israël, Ik kom je halen, uit Babel.
Ik zal je op Mijn handen nemen, in Mijn armen, Ik zal je dragen, de woestijn door, de weg naar het beloofde land!
Je komt weer thuis, Israël. Ik kan van jou niet scheiden!
 

Gebed:

 
Trouwe God, laat ook ons niet alleen. Vergeef ons onze onwil, onze ondankbaarheid, onze liefdeloosheid. Blijf ons trouw, om Jezus’ wil.

amen-2

Een Lam ter slachting

dinsdag, september 1st, 2009

Lezen: Jesaja 53:1-7

 

Vandaag lezen we weer zo’n profetie over de Knecht des Heren, die wonderlijke dienaar van Israëls God.
Het is een koninklijke figuur, maar denk nu niet dat Zijn weg eenvoudig is, vol pracht en praal. Integendeel: deze Dienaar wordt veracht en bespot. Je zou zo niet zeggen dat Hij de Messias is…

EEN LAM TER SLACHTING

Ja, dat kennen ze: het feest waarop de schapen worden ge¬
schoren!
Dan is het een drukte van belang. Honderden schapen, dikke wol, vreugde overal…
En de schapen zelf? Ach, die maken zich niet zo druk.
Stom zijn ze voor hun scheerders. Er is niet aan te ontkomen, het mes gaat er in, of ze willen of niet.
Zo zal het zijn, zegt Jesaja, zegt God, met de Messias, de Gezalfde, die vreemde koning die komen zal.
Als niemand Hem verwacht, zal Hij er zijn.
Je zou het niet van Hem zeggen dat Hij Gods dienaar was.
Het is Hem niet aan te zien. Het zal iemand zijn die weet van spot, van haat, van ziekte, van verdrukking.
Hij zal zijn als een schaap dat geschoren wordt.
Zwijgend zal Hij zich laten grijpen. Sterker nog:
Hij zal zijn als een lam dat wordt geslacht…
Een lam dat wordt geslacht. Dat kennen ze ook, de kinderen in Israël, net zo goed als de ouderen.
Elk jaar op het Pascha gebeurt het; dan wordt er een lam geslacht, zoals eens in Egypte: het Paaslam!
Zal de Messias zo zijn?
Ja, zo zal de Messias gevangen worden genomen, mishandeld, geslagen, geslacht.
En waarom?
Omdat God er aardigheid in heeft zo met Hem om te gaan? Absoluut niet!
Het is niet God en het is ook niet het lot dat Hem dit alles aandoet.
Het is om ons, om onze schuld te dragen.
Hij krijgt de klappen die wij verdienen.
Hij draagt de straf die wij ons op de hals hebben gehaald.
Hij is het Lam dat voor ons wordt geslacht… Hoe is het mogelijk?
Een Koning die een Knecht wil zijn… een Leeuw die zich laat slachten als een Lam…

Gebed:
 
Trouwe God, doe ons gaan in de voetsporen van dit Lam, Uw knecht, de Messias voor alle volken…

amen-2

Getatoueerd in Zijn hand

maandag, augustus 31st, 2009

Jesaja 49:8-16

Dat kun je je voorstellen: dat Israël zich afvraagt of er werkelijk nog wel iets van zal komen, van die terugkeer, die bevrijding. Zou God Zijn volk niet vergeten? Geen sprake van, zo zegt Jesaja!

GETATOUEERD

 

Scheepslui, die zie je er nog wel eens meer een tekening of een naam, onuitwisbaar in de arm gegrift.
Getatoueerd. A1 krijg je er later spijt van, afwassen is niet meer mogelijk.
Wat geschreven is, is geschreven. Eens en voor altijd.
Het volk Israël is bang. Bang dat het door God vergeten wordt.
God heeft ons verlaten, zo zegt het. God heeft ons vergeten. Israël klaagt, huilt als een kind dat alleen is achtergelaten.
Of, beter gezegd: verdwaald is, door eigen schuld.
Is het zo? Heeft God Zijn volk vergeten?
Geen sprake van! Israël, hoe kun je nu zo iets denken?
Kan een moeder haar kind vergeten? Dat is toch onvoorstelbaar!
Hoewel, het komt voor. Er zijn moeders die hun kind in de steek laten.
Maar al zou een moeder haar kind vergeten,
Ik vergeet u in elk geval niet!
Zo spreekt God. Hij blijft trouw. En om dat duidelijk te maken, wordt het nog krasser gezegd:
Zie, Ik heb u in mijn beide handpalmen gegrift! Getatoueerd! Israël, Ik zie de muren van Jeruzalem steeds voor Mij, verwoest, een ruïne. Nee, denk nu niet dat Ik dat vergeten kan. Uw naam staat in Mijn hand…!
Op school zijn er wel eens kinderen die bij een repetitie aantekeningen in hun hand hebben om te kunnen spieken. Soms met inkt op de huid geschreven. Maar dat was je weer af, dat is zo weer weg.
Zo doet God niet. Hij heeft de naam van Zijn volk in Zijn huid getatoueerd: die naam gaat er nooit meer uit. Onuitwisbaar staat die in Zijn hand.
Over trouw gesproken…
 
 
 
Gebed:
 
Trouwe God, daar danken wij U voor: dat ook onze naam geschreven staat in Uw hand. U laat Israël niet los, U laat ook Uw kerk niet over aan de boze machten in deze tijd, Gezegend zij Uw heilige Naam!

amen-2

Dragen en gedragen worden

zaterdag, augustus 29th, 2009

Lezen: Jesaja 46:1-7

 
Hoe zal het volk Israël uit Babel worden bevrijd? Wel, Jesaja ziet het voor zich: koning Cyrus, de koning van de Perzen, die zal Babel veroveren! En hij zal het volk Israël terug laten gaan naar huis. Dan zal blijken dat de goden van Babel, Bel en Nebo, waardeloze goden zijn!

DRAGEN EN GEDRAGEN WORDEN

Kijk, een optocht! Een godsdienstig feest in Babel!
De mensen staan rijendik langs de kant van de weg!
Daar komen ze, de beelden van de goden. Prachtig, wat een schitterende beelden!
Daar heb je Bel en ginds nadert het beeld van Nebo!
Sterke mannenhanden torsen de zware beelden. Ze worden door de straten gedragen, de stad door.
En ieder die ze ziet, buigt en knielt…
Maar nu de God van Israël. Dat is een andere God.
Dat is niet een god die gedragen moet worden, zoals je een kind dragen moet.
De God van Israël is een God die zelf draagt!
Hij draagt Zijn volk zoals een vader een kind draagt dat niet meer verder kan…
Geen optocht, geen beeld. Israëls God wordt niet gedragen. Israëls God draagt zelf!
Jesaja ziet het gebeuren: Bel en Nebo vallen door de mand. Koning Cyrus dwingt ze door de knieën te gaan.
De goden van Babel zijn ineengezonken, terneergebogen.
Voor koning Cyrus?
Ach, achter de koning van de Perzen zien we de Koning van Israël,
God zelf die Cyrus in dienst neemt om Zijn doel te bereiken.
Daar gaan ze, de goden van Babel. Afgedankt.
Opgeladen op lastdieren, nu er geen sterke mannenhanden meer zijn.
Arme beesten. Wat zijn die goden zwaar! Een mooie buit voor de vijand!
Zij hebben Babel niet kunnen dragen, ze zijn op de knieeën gegaan voor de overwinnaar.
En nu worden ze afgevoerd. Waardeloze goden, stomme beelden!
Zo is het nog altijd. De goden, loodzwaar zijn ze, niet te tillen.
Israëls God is anders. Die draagt ons, op Zijn handen!

Gebed:
 
Sterke God, U draagt ons! Soms is het leven niet meer te tillen. Maar door U gedragen kunnen wij verder, telkens weer.

amen-2

Gij zijt van Mij

vrijdag, augustus 28th, 2009

Lezen Jesaja 42:18-43:2

Israël moet nu niet denken dat het zo maar, per ongeluk, in de ellende is terechtgekomen. Nee, in de ballingschap draagt het de schuld, de straf voor het onrecht dat het heeft begaan. Israél, het gezalfde volk, het volk van koningen, priesters en profeten, Israël is blind geworden en doof voor God. Vandaar de ballingschap! Maar God brengt Zijn volk terug naar het beloofde land! Hij zal het daar veilig brengen.

GIJ ZIJT VAN MIJ

Kleuters hebben vaak een lievelingspop. Soms snap je niet waarom nu net die ene pop steeds weer mee moet naar bed. De mooiste poppen hebben geen schijn van kans.
Die ene, die moet het zijn. Soms is er een been af, of een arm. Soms heeft ze maar één oog of één oor.
Maar dat doet blijkbaar niet ter zake: die ene, die lievelingspop, die moet mee!
A1 ontbreekt er van alles en nog wat aan, die ene, die is het!
Zo heeft God, de Schepper van hemel en aarde, een lievelingsvolk: Israël.
Omdat het zo’n aardig volk is? Geen sprake van! Omdat het zulke vrome, gehoorzame mensen zijn?
Ook al niet. Israël is niets beter dan welk ander volk ook.
Er mankeert aan Israël in elk geval een heleboel.
Het mist ogen en oren. Het is blind en doof.
Het ziet Gods daden niet. Het hoort Zijn geboden niet.
Wat een volk. En toch: Gods lievelingsvolk.
Israël, jij bent van Mij!
Van jou houd Ik, wees maar niet bang, Ik heb je verlost, Ik heb je bij je naam geroepen, jij bent van Mij!
Als jij door een rivier heen moet, Ik ben er bij.
Als jij door het vuur gaat, het zal je niet verteren.
Ik zorg voor je!
Zo is God. Ondanks alles blijft Hij Israël trouw. En wat voor Israël geldt, geldt ook voor de gemeente van Christus.
God heeft ons bij onze naam geroepen.
Bij de doop is het gebeurd. Jan, Pieter, Annemarie – ik doop je in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. God zegt: jij bent van Mij!
En als Hij zoveel van ons houdt, zouden wij Hem dan ook niet van harte liefhebben?
 
Gebed:
 
Vader, wij danken U dat wij van U zijn. Help ons om U lief te hebben zoals U ons hebt liefgehad.

amen-2

Het geknakte riet

woensdag, juli 1st, 2009

Lezen: Jesaja 42:1-7

 

In het tweede deel van het boek Jesaja lezen we ook enkele profetieën over de Knecht des Heren. Het gaat om de aankondiging van een bijzondere dienstknecht van God, een Messias, dat betekent: een Gezalfde. lemand als een koning, een priester, een profeet.

 

HET GEKNAKTE RIET

 

Hoe vaak zie je dat niet, buiten, in de natuur: een tak aan een boom, geknakt, een bloem of een rietstengel aan de waterkant. Als er iemand tegenaan loopt, kan zo’n tak breken.
Door een windvlaag kan zo’n rietstengel gemakkelijk worden geknakt.
Zo is het met het volk Israël. Het heeft geen moed meer om te leven.
Treurig is het ermee gesteld.
De harpen zijn aan de wilgen gehangen, niemand heeft nog zin in muziek.
Israël lijkt op zo’n rietstengel aan de waterkant, geknakt, bijna gebroken.
Maar – zo zegt Jesaja – hoort wat God zegt!
Er zal iemand komen, door Mij uitverkoren, Mijn dienstknecht, die het geknakte riet niet zal breken! Integendeel!
Ook al zal Hij zelf door de storm heengaan, ook al zullen de mensen rakelings langs Hem heenlopen,
Hij zelf zal niet uitgedoofd worden en Hij zelf zal niet worden geknakt.
Hij zal net zolang doorgaan met Zijn werk totdat er op aarde recht en gerechtigheid zal zijn!
Hij zal het geknakte riet niet breken en de walmende olielamp niet uitdoven.
Hij zal heelmaken wat bijna stuk is.
Hij zal doen opvlammen wat bijna is gedoofd.
Blinden zullen zien, gevangenen worden bevrijd! De Messias komt!
Het geknakte riet. Aan wie ik denk?
Aan de Samaritaanse vrouw.
Aan Zacheüs in de vijgeboom. Aan de moeder van die jongen in Nain. Aan Maria en Martha op het kerkhof in Bethanië. En zo zou je door kunnen gaan. Het zou een lange rij worden, een lange rij van namen van mensen, gebroken, geknakt.
Maar vooraan de rij loopt Jezus, de Messias.
Het geknakte riet zal Hij niet verbreken!
 
Gebed:
 
Barmhartige God, wij danken U voor Jezus, de Messias! Als wij gebroken zijn, maakt Hij ons weer heel. Als wij zijn uitgeblust, doet Hij onze vlam weer branden!

 

amen-2

Hand in hand

dinsdag, juni 30th, 2009

Lezen: Jesaja 41:8-13

Geen wonder dat Israël bang is. Het is in Babel, in ballingschap, te midden van een vreemd volk.
Gevangen, weggevoerd, omringd door vijanden, afgoden, vreemde woorden en vreemde gebruiken. Israël kijkt angstig rond.
Maar in die benauwdheid klinken de woorden van Jesaja, woorden van Israëls God.

HAND IN HAND

Israël kan geen kant meer op. Angstig kijkt het om zich heen. Wat moet dat worden? Hoe zal dat gaan?
Maar dan – een stem.
Wees niet bang, Israël, vrees niet, Ik ben met u! God laat Zijn volk niet los.
Hij heeft Abraham gehaald uit een uithoek van de wereld, uit Ur, daar ver weg, in het oosten.
Hij heeft Israël uitgekozen om Zijn volk te zijn, een licht in de wereld, een banier voor de natiën.
Denk je nu werkelijk dat Ik je loslaat, Israël? Kijk maar niet zo angstig om je heen.
Ik help je. Ik ondersteun je met Mijn rechterhand.
Ik grijp jouw rechterhand vast.
Israëls hand. Israëls rechterhand.
De rechterhand is de hand die het werk doet, de hand die kracht heeft, de hand waar- mee je schrijft, als je niet links bent.
De rechterhand, dat is de hand waarin de kracht van je lichaam wordt bewaard.
Je wapen, waarmee je je verdedigen kunt.
Die hand, die rechterhand, die pakt God vast.
Hij ondersteunt met Zijn rechterhand Israëls rechterhand.
Je ziet het voor je: God en Israël, hand in hand.
Israël zal nieuwe kracht ontvangen. De vijand zal niets kunnen beginnen.
Gods rechterhand is hoogverheven, des Heren rechterhand is sterk!
Hand in hand. Soms weet je niet hoe het verder moet.
Soms ben je te zwak om nog een hand uit te steken.
Soms ben je verlamd, van schrik, van pijn, van angst.
Soms wordt het leven je bij de handen afgebroken.
Maar zie, dan is daar, juist in de beklemming van de ballingschap, een hand!
Gods rechterhand doet grote dingen, Gods rechterhand heeft grote kracht!
 
Gebed: 
 
Trouwe God, U weet hoe bang we soms zijn. Neem onze hand in de Uwe. Uw rechterhand, laat die rondom ons zijn.

amen-2

Niemand is gelijk aan U

maandag, juni 29th, 2009

Lezen: Jesaja 40:25-31

Tegenover de machtige God van Israël, zijn de goden van Babel machteloos.
Eigenlijk zijn het helemaal geen goden. Het zijn af-goden, schijn-goden, goden-van-niks. Stukken steen, stukken hout, een beetje opgetuigd, meer niet. Met God is goedbeschouwd niemand te vergelijken!

ONVERGELIJKELIJK

Misschien doen wij dat veel te veel: God vergelijken.
Wij vergelijken Hem met een vader, met een koning, met een leeuw, met de zon, met een vuur, met het licht.
Maar al die vergelijkingen schieten te kort.
God is altijd meer, God is altijd groter.
Met wie zouden jullie Mij nu willen vergelijken? vraagt God. Ben ik te vergelijken met de goden van Babel?
Met de machthebbers van de volken, de regeerders, de koningen?
Kijk eens omhoog, tel de sterren, elke avond zijn ze er weer.
Dat is Mijn leger, de sterren zijn Mijn soldaten, ontelbaar in getal.
Niet één blijft er achter als Ik ze te voorschijn roep!
En daarom, Israël, daarom moet je ook niet zeggen dat Ik niets van Mij laat horen.
Ik blijf niet verborgen voor Mijn volk.
Ik weet van jullie moedeloosheid.
Ik weet dat jullie bijna neervallen van ellende.
Dat ontgaat Mij echt niet. Maar houdt er wel rekening mee dat Ik anders ben dan de goden.
Met niemand ben Ik te vergelijken!
En juist daarom zal Ik jullie nieuwe kracht geven.
Ik maak jullie weer tot een sterk volk. Wie Mij verwachten zullen zijn als arenden, met vleugels, wijdgestrekt!
God vergelijken. Zeker, in de bijbel gebeurt dat ook.
En hoe zouden we anders over God kunnen praten als we dat niet deden?
Maar onze vergelijkingen blijven gelijkenissen, beelden, voorstellingen.
God zelf is anders, groter, oneindig veel groter.
Hij is eigenlijk onvergelijkelijk…
 
Gebed:
 
Machtige God, met wie moeten wij U vergelijken?
Niemand is aan U gelijk. Help ons om niet zo klein van U te denken…

amen-2

In Zijn arm de lammeren

vrijdag, juni 26th, 2009

Lezen: Jesaja 40:1-11


Vanaf vandaag lezen wij weer verder in het boek Jesaja. In hoofdstuk 90 begint een nieuw deel van dit boek, later geschreven. Het staat vol van beloften die te maken hebben met de terugkeer uit de ballingschap. De profeet mag het volk troosten: het eind van de ellende is in zicht!

IN ZIJN ARM DE LAMMEREN

Eigenlijk is dit bijbelgedeelte een lied. De profeet kan het niet meer in zakelijke woorden zeggen.
Hij gaat ervan zingen! Het wordt een gedicht, vol beelden die het komende heil laten zien.
Nu is het, wat God betreft, genoeg! Israel is voldoende geplaagd. God blijft niet voor altijd boos op Zijn volk.
Hoor! Daar roept iemand! Een heraut!
Maak de wegen in orde. Haal de kuilen er uit, haal de bobbels weg! Daar komt de Koning aan, de Koning van Israel, met Zijn volk, bevrijd uit Babel! Daar komen ze, op weg naar het beloofde land!
Ach, zegt een ander, roepen? Wat valt er te roepen?
Het leven is toch net als het gras, als een bloem op het veld. Vandaag is het er. Morgen niet meer.
Wacht, zeg dat niet te hard! Zeker, het is waar! Maar, al verdort het gras, al valt de bloem af, het Woord van onze God houdt eeuwig stand! Op mensen kun je niet rekenen. Op God wel! Hij brengt Zijn volk terug!
Vooruit, Sion, klim op een hoge berg, zodat iedereen je kan horen! En jij, Jeruzalem, doe je mond maar open, zeg het maar tegen iedereen die het horen wil, tegen de dorpen in Juda: Hier is uw God! Daar komt Hij; Hij zal orde op zaken stellen, Hij zal recht doen!
Hij zal als een herder zijn. In Zijn arm verzamelt Hij de lammeren, de kleintjes, de zwakken. Hij draagt ze in de grote plooi van Zijn mantel, in Zijn schoot.
En de allerkleinsten, die nog drinken bij hun moeder, die zal Hij heel voorzichtig verder leiden. Houd moed, Israel – Uw Herder komt!
 
Gebed: 
 
Vader, de goede Herder, dat bent U! Leid Uw volk, leid ook ons, Uw Rijk, Uw toekomst tegemoet.

amen-2

De dorre doodsbeenderen

donderdag, juni 25th, 2009

Lezen Ezechiël 37:7-14

Ezechiël ziet een verschrikkelijk visioen: een dal vol doodsbeenderen. In dat dal moet hij profeteren. Hij moet tegen de beenderen zeggen dat God hen zal doen herleven!

DE DORRE BEENDEREN

Soms, bijvoorbeeld bij de restauratie van een oude kerk, kun je ze zien: beenderen.
Vroeger werden de mensen in de kerken begraven. Niets is er meer van hen over – dan alleen: dorre beenderen.
Zulke beenderen ziet Ezechiël in zijn visioen. Er zit totaal geen leven meer in…
Zo is het gesteld met Israël. Gods volk is gestorven en begraven. Er is niets meer van over. Nu ja, nog wat dorre doodsbeenderen. Alle hoop is de bodem in geslagen, begraven in Babel, in de ballingschap. Babel is een graf. Het volk komt er nooit meer uit…
Zo denkt Israël. Maar God denkt anders! En vandaar deze vreemde profetie, dit merkwaardige visioen. God zal de graven openmaken! De beenderen zullen weer bij elkaar komen. En er zal weer vlees op komen, spieren, een huid. De Geest van God zal hen tot leven brengen! God brengt Zijn volk terug naar het beloofde land! De dood heeft bij Hem niet het laatste woord. Als Hij Zijn kerk restaureert, worden de beenderen ook vernieuwd. Grondig doet God Zijn werk! Hij blijft niet aan de oppervlakte, de grafstenen gaan aan de kant, het onderste been komt boven!
Steeds weer in de geschiedenis van Israël zijn die momenten er geweest. Als alle hoop verloren was, kwam er toch weer toekomst voor Israël. Denk maar eens aan wat er gebeurde na de Tweede Wereldoorlog.
Ze zijn gekomen, uit alle landen van de wereld, de Joden. Ze zijn teruggegaan naar het land dat hen was beloofd.
En eens komt de tijd waarin de Geest Israël vervullen zal en dit volk zijn zal naar Gods bedoeling: een licht op aarde, een zegen voor de volken.
 

Gebed:
 
Trouwe God, geen steen is te zwaar voor U, geen been te dor. Wij danken U voor Pasen, voor Jezus die is opgestaan!

amen-2