De vrouw met de verbrande handen

DE VROUW MET DE VERBRANDE HANDEN

Toen de Heer Jezus uit de dood was opgestaan, verscheen Hij te midden van zijn discipelen en toonde hun zijn doorboorde handen. Dit bracht vrede en blijdschap in hun hart, zelfs in het hart van de zwaarmoedige Thomas.
Er is een geschiedenis die, op menselijk niveau, hieraan min of meer parallel loopt.

Op zekere dag brak er brand uit in het huis waarin een ouderpaar met hun enig kind woonde. Zij vluchtten in paniek de straat op, maar toen dacht de moeder aan haar dochtertje dat nog in de wieg lag. Zij wilde het huis weer ingaan om haar kind te redden, maar de mannen van de brandweer zeiden dat het niet meer kon. Het vuur was al te ver. Maar de moeder luisterde niet naar hen en liep toch weer het huis binnen. Zij wilde, wat het ook mocht kosten, haar kind redden. Zij liep naar het wiegje en nam haar dochtertje eruit. Maar de vlammen waren toen al om haar heen. Ze wist weer naar buiten te komen, haar dochtertje was gered, ze was ongedeerd. Maar de handen van de moeder waren verbrand door de vlammen. Haar hele leven door zou ze verminkt zijn, omdat ze haar dochtertje had willen redden.

Na enige jaren overleed de vader van het gezin en de dochter groeide op tot een flink, lief meisje. Later trouwde ze met een rijke, voorname man. En toen ging het meisje zich schamen voor haar moeder. Ze kwam nooit meer bij haar moeder en haar moeder was ook niet meer welkom bij haar. Er was te veel verschil: die deftige dochter met haar deftige man in het deftige huis en die eenvoudige moeder. Maar de moeder hield nog altijd van haar dochter. Zij kon haar nooit vergeten, haar lieve, kleine meisje. Daarom ging ze toch weer naar haar dochter toe. Zij belde aan bij het deftige, grote huis. Het dienstmeisje deed open: ‘Waarmee kan ik u van dienst zijn?’ ‘Wilt u vragen of het goed is, dat ik mevrouw bezoek? Zeg maar dat haar moeder er is.’ Het dienstmeisje kwam even later terug met de boodschap: ‘Mevrouw zegt, dat zij u nu niet kan ontvangen. Het komt haar niet goed uit. Misschien een andere keer.’ Nooit had de dochter tijd voor haar moeder. Zij had geen plaats in haar leven en in haar huis om haar moeder te ontvangen. – Jammer genoeg zijn er ook nu veel mensen die geen tijd en geen plaats hebben voor de Heer Jezus.

De moeder was bedroefd. Wat moest ze doen om haar kind te benaderen? Om haar hart weer te winnen? Ze zei tegen het dienstmeisje: ‘Je moet toch weer naar mevrouw teruggaan en wat anders zeggen. Je moet niet zeggen: Je moeder staat aan de deur, maar: de vrouw met de verbrande handen staat aan de deur, zij wil met u spreken.’ Het dienstmeisje ging weg, maar nu kwam zij niet terug, nee, de dochter kwam zelf aan de deur en viel haar moeder snikkend om de hals. ‘Moeder, wat spijt het me, dat ik u aan de deur heb laten staan, dat ik u nooit heb willen ontvangen. U hebt zoveel voor mij gedaan. U hebt uw leven gewaagd om mij te redden. U hebt uw handen verbrand om mij uit het vuur in veiligheid te brengen. Moeder, wilt u het mij vergeven, dat ik zo ondankbaar, zo harteloos voor u ben geweest? Kom toch binnen en blijf bij ons wonen, voor altijd!’ Zo is alles tussen moeder en dochter weer goed gekomen. – En wat doet u, die dit leest, met de Heer Jezus, die stierf aan het kruis om u te redden? De ‘Man met de doorboorde handen’ vraagt toegang tot uw hart.

Uit:Lichtstralen

Één Reactie op “De vrouw met de verbrande handen”

  1. Faithelien Says:

    Wow… prachtig… raak!

Geef een reactie